De stappen (5 à 7 stuks):

 
 
MEA-adviesburo heeft een zevental stappen ontwikkeld om een 100%DE-regio te worden, waarbij in stap 6 en 7 kan worden overwogen of men op de Europese kaart met andere 100%DE-regio’s geplaatst wil worden. Deze twee laatste stappen zijn derhalve fakultatief.

 

Start: De gezamenlijke ambitieverklaring Het projekt 100%DE-regio start met het tekenen van een ambitieverklaring waarin de betreffende regio (dan wel subregio) tezamen met de betrokken gemeenten aangeeft dat zij het voornemen heeft om in het jaar 2050 geheel over te zijn op de toepassing van duurzame energie en (eventueel) daarbij geplaatst wil worden op de Europese 100%DE-regiokaart. Deze laatste stap is vrijblijvend. In sommige gevallen hebben provincies en gemeenten deze ambitie al uitgesproken, maar zonder het laatste onderdeel om ook op Europees nivo deze ambitie kenbaar te maken. Het is verstandig om alle betrokken marktpartijen uit de regio bij de ondertekening uit te nodigen om duidelijk te maken dat men gezamenlijk de route naar 2050 wil vaststellen. De ondertekening van de intentieverklaring en de te nemen stappen kan men publiekelijk maken; hiertoe kunnen informatieavonden worden georganiseerd. De intentieverklaring is onderdeel van het startpakket van 100%DE-regio’s dat men ontvangt na aanmelding. Tip: De betrokken marktpartijen, waaronder burgerinitiatieven, zouden ook hun handtekening kunnen zetten op het ambitiedokument; op die manier wordt de samenwerking met de burgers versterkt.

 

Stap 1: Instelling regionale energiewerkgroep Er worden een regionale energiewerkgroep geformeerd, met naast vertegenwoordigers van de betrokken overheden ook burgers en hun aktieve energiecoöperaties, regionale ondernemingen, natuurorganisaties, netbeheerder(s) en overige relevante partijen. De energiewerkgroep verzorgt informatieavonden, themadagen en exkursies en raadpleegt de burgers wat de wensen zijn om deel te nemen aan DE-projekten en het energiebeleid. Binnen de werkgroep wordt het meest kansrijke energietransitiepad uitgewerkt en aan de regio voorgelegd. De werkgroep houdt bij wanneer zij vergaderen en wat de gemaakte afspraken zijn. In het begin zal het verstandig zijn om wat vaker bij elkaar te komen, b.v. minimaal één keer per twee maanden. Het is cruciaal dat leden van de werkgroep bewust zijn van de klimaat- en energieproblematiek en dat er voldoende kennis, enthousiasme, doorzettingsvermogen en openheid aanwezig is. Het is ook belangrijk dat de provincie, gemeenten en netbeheerder voldoende duidelijkheid kunnen geven waar DE-projekten mogelijk kunnen zijn, zowel in als buiten de gebouwde omgeving. Tip: Hierbij kan gebruik worden gemaakt van het netwerk van provincie en gemeenten, van Natuur-en Milieufederaties, van lokale energiecoöperaties dan wel hun koepelorganisaties en van overige, ervaren marktpartijen en kennisinstellingen.

 

Stap 2: Uitvoering regionale energiescan De regionale energiewerkgroep voert zo snel mogelijk een regionale energiescan uit. In deze scan worden de startwaarden bepaald en in vervolgscans (b.v. om de 2 jaar) wordt in kaart gebracht op welke wijze het gekozen energietransitiepad door ontwikkelingen en innovaties op energiegebied kan worden aangepast. Hierbij kan het b.v. gaan om verbeteringen en aanpassingen van de netinfrastruktuur en/of mogelijkheden om energie op te slaan in de vorm van waterstof, methaan, warmte, elektriciteit in batterijen, etc. Dit wordt aan de regio, dan wel subregio’s en haar in te stellen handhaver voorgelegd. De energiescan is een essentieel onderdeel om de uitgangspunten van het te kiezen energie-transitiepad in beeld te brengen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van landelijk afgestemde gegevens m.b.t het regionale en gemeentelijke energieverbruik, de CO2-uitstoot en de aanwezige en in voorbereiding zijnde DE-projekten. Aan de hand van door de overheid(heden) aangedragen energiepotentiegebieden kan binnen de energiewerkgroep een goede inschatting worden gemaakt waar en hoeveel duurzame energie in de voorkeursgebieden kan worden opgewekt en hoe deze binnen de diverse energiesektoren kan worden afgenomen. Tip: Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de kennis en ervaring bij MEA-adviesburo uit binnen en buitenland zoals b.v. het gebruik van diverse Duitse modelplannen.

 

Stap 3: Bepaling van het meest kansrijke energietransitiepad Op basis van de uitkomsten van de eerste energiescan, de mogelijkheden voor duurzame energie binnen de regio (energiepotentiekaarten), de aansluitmogelijkheden volgens de netbeheerder en de wensen van de in de energiewerkgroep vertegenwoordigde burgerbevolking wordt het meest kansrijke energietransitie(ET-)pad richting het jaar 2050 gekozen en voorgedragen aan de regio. De goed geïnformeerde leden van de energiewerkgroep gaan binnen te organiseren energiesessies/ workshops aan de slag met de aangedragen gegevens en mogelijkheden en dragen diverse ET-paden aan, afhankelijk van het te verkrijgen draagvlak. Bij de keuze van het meest kansrijke ET-pad is het belangrijk dat deze realistisch en haalbaar is en inspeelt op ontwikkelingen in binnen- en buitenland. Wanneer het ET-pad is vastgesteld kan men diverse aktiviteiten gaan verzorgen, zoals het opnemen van deze energieroute in het 100%DE-plan (stap 4), het uitdragen van deze ontwikkeling en te nemen stappen en aktiviteiten naar de bevolking en overige partijen, het instellen van een eigen website met weergave van het nieuws, het stimuleren van DE-projekten zoals energieneutrale dorpen en andere (ikoon)projekten, de wijze van monitoring van deze route, etc.

 

Stap 4: Opstellen van het 100%DE-plan In het 100%DE-plan van de (sub)regio wordt het meest kansrijke energietransitiepad richting 2050 omschreven en worden de te behalen energiebesparingen, de te behalen CO2-reduktie en het aandeel duurzame energie in het jaar 2050 in het energieplan uitgewerkt. MEA-adviesburo kan behulpzaam zijn in het opzetten en uitwerken van een dergelijk regionaal 100%DE-plan, waarbij wordt gelet op bestaande modelplannen van Duitse regio’s. Aan de hand van het via de energiewerkgroep aangedragen meest kansrijke energietransitiepad wordt het energieplan uitgewerkt met aandacht voor op dat moment bekende realistische ontwikkelingen op energiegebied, zoals Power to Gas (P2G) en Power to Heat (P2H) en opslag van de zelf opgewekte duurzame energie. In het plan zijn de diverse energiebesparingsmogelijkheden per energiesektor uitgewerkt en zijn ook de diverse te verwachten DE-voorzieningen uitgewerkt, inklusief de omzettingen naar waterstof voor o.a. de transportsektor. Het 100%DE-regioplan wordt zowel door de regio als door de betrokken gemeenten onderschreven en zal regelmatig worden geëvalueerd en aangepast, afhankelijk van ontwikkelingen en innovaties op het gebied van duurzame energie. Tip: Het is raadzaam om het vastgestelde regionale energieplan publiekelijk te maken en allerlei (ludieke) aktiviteiten hieraan te koppelen en om vooral de jeugd hierbij te betrekken vanwege de toekomstgerichtheid.

 

Stap 5: Monitoring en handhaving Onderdeel van het regioplan is het aanstellen van één of meerdere regionale handhavers die om de twee jaar evalueren of het gekozen energietransitiepad is aangehouden en evt. waar nodig dient te worden bijgesteld vanwege diverse ontwikkelingen en innovaties. De methode van monitoring hangt af van de gestelde doelen en manier van meten die men heeft vastgelegd in stap 3. Enkele voorbeelden van monitoring zijn het bijhouden van de behaalde energiebesparing en opgewekte duurzame energie in de diverse energiesektoren (huishoudens, HDO/kantoren/scholen, bedrijven en industrie, agrarische sektor en transport/mobiliteit) en de opgewekte duurzame energie in diverse DE-projekten buiten de gebouwde omgeving, dan wel aanvullend import, indien het gewenste doel niet is behaald. De handhavers kunnen zich op landelijk en internationaal nivo laten informeren over ontwikkelingen en gezamenlijk te nemen stappen, b.v. over aan te passen energienetwerken en regionale opslagsystemen.

 

Stap 6: Aanmelding Europese 100%DE-startregio (fakultatief) De regio kan overwegen om de ambitie en het vastgestelde 100%DE-plan voor te leggen aan het IdE-instituut te Kassel om als startregio te worden voorgedragen voor plaatsing op de Europese kaart met 100%DE-regios. Men verkrijgt dan een lichtgroene kleur en de status van aangemeld zijn. In deze zesde stap wordt het betreffende IdE-formulier ingevuld met ruim 20 vragen over o.a. de startsituatie, de aanwezige DE-voorzieningen en die zich in de vergunningenprocedure bevinden, de CO2-uitstoot, de verwachte energiebesparingen en het (meest kansrijke) energietransitiepad. MEA- adviesburo kan bij het invullen van dit vragenformulier behulpzaam zijn en kan meehelpen aan de voordracht vanwege haar inlaat bij het IdE. Tip: Breng de plaatsing op de Europese kaart zoveel mogelijk naar buiten! Vier deze prestatie zo breed mogelijk, door middel van artikelen in een (lokale dan wel regionale) krant, nieuwsbrief, op de website en binnen bredere gemeenschappen, instellingen en ondernemingen. Men kan zodoende de regio een energieboost geven en naast het genereren van een positief gevoel zal dit ook bijdragen aan de profilering als duurzame energieregio.

 

Stap 7: Status van “volwaardige” Europese 100%DE-regio (fakultatief) Op basis van gemonitorde en voorgestelde aanvullende onderdelen die aan het IdE te Kassel worden voorgelegd kan de regio de status van “volwaardige” 100%DE-regio krijgen. Hierbij is overleg met de diverse Duitse instellingen en energieregio’s raadzaam te noemen en kan men zich op Europees nivo presenteren. Gedurende een periode van 2 jaar dient men aan te geven dat men serieus met het energieplan en het daarin opgenomen energietransitiepad bezig is en gewenste vorderingen maakt. Daarbij kunnen DE-projekten als burgerwindparken en zonnevelden, energieneutrale dorpen en wijken en zeker ook ikoonprojekten vermeld worden. MEA-adviesburo kan daarbij het kontakt tussen de regio en het IdE-instituut onderhouden. Tip: Het is goed om zich als “volwaardige” 100%DE-regio te blijven profileren en dit regelmatig te updaten; MEA- advies-buro kan daarbij ondersteuning geven. Subregio’s, gemeenten, ondernemingen, energiecoöperaties, instellingen en overige partijen kunnen deelname aan deze ontwikkeling naar buiten brengen en een prominente plek geven, bijvoorbeeld op de websites, op de betreffende produkten, in de (plaatselijke) pers etc.